KinderpoëzieSubmitted by George Overmeire on Sat, 10/13/2007 - 08:00 |
Tja, dit stukje gaat over poëzie. En over jeugdherinneringen (weer eens). En over canons, want daar komen er steeds meer van. Daarmee gaat het misschien ook over opvoeden.
NRC had vrijdag 12 oktober een artikel naar aanleiding van het verschijnen van opperbloemlezer Gerrit Komrij's bloemlezing kinderpoëzie. Het artikel eindigde met een suggestie voor een kindercanon: welke gedichten zouden kinderen per sé uit hun hoofd moeten leren kennen? Natuurlijk werd er gevraagd om mee te discussiëren. Daar ga ik niet aan meedoen, wel wil ik het hier graag over mijn eigen favoriete jeugdgedicht hebben.
Het ging natuurlijk over ruimtevaart en dat is de reden dat ik het hier bespreek en niet op mijn artblog. Het is wellicht ook geen Kunst; het stond gewoon in het Okki & Taptoevakantieboek en ik heb het, toen ik in de vijfde klas zat, eens uit mijn hoofd geleerd toen we voor huiswerk allemaal een gedicht moesten uitkiezen en uit het hoofd moesten voordragen. Ik weet niet wie het gemaakt heeft - dat boek ben ik kwijt, maar het gedicht zit nog steeds in mijn hoofd - en dat geeft aan hoe ik er door de jaren heen aan gehecht ben gebleven.
Meneer van Driel uit Ammerlaan
wou met vakantie naar de Maan.
Dus kocht-ie een doe-het-zelfpakket
en bouwde zich een maanraket.
Maar net goot hij wat straalbenzine
in zijn eigen bouwmachine
toen zich de buurvrouw van twee-hoog
nieuwsgierig uit het venster boog.
"Wat maakt u daar, het lijkt me net
een Spoetnik, of een maanraket".
"'t Is een raket, beste mevrouw,
en met dat ding schiet ik me nou
in mijn vakantie even vlug
naar de Maan en weer terug".
"Wilt u werkelijk naar de Maan?
Daar lijkt me nu toch net niets aan!
Men is er vast niet bij de tijd
geen gas, of elektriciteit.
Er zijn er ook niet bij mijn weten
hotels en huisjes om te eten".
"Och beste mevrouw, dat doet me niks
ik wed dat ik het heus wel fix.
Ik neem wel een paar blikjes mee,
en een thermosfles vol thee.
Misschien nog eieren en brood,
van honger ga ik vast niet dood".
Toen hij zijn helm had opgezet,
stapte Van Driel in de raket.
Groette de dame van tweehoog
en vloog toen in een grote boog
over het dorpje Ammerlaan
in de richting van de Maan.
Maar net was de mevrouw van boven
haar frikandellen aan het stoven,
toen ze opgeschikt werd door een plof
en dikke, duistere wolken stof.
Ze keek omlaag, zag vaag Van Driel.
Gekneusd, geschokt, de arme ziel
daar neergekwakt in't aardbeibed
naast het restant van zijn raket.
"Maar meneer, bent u al terug,
op mijn woord, da's nog eens vlug!"
"Ik ben niet terug, of ik bedoel,
ik had steeds maar zo'n gevoel -
dat ik iets miste en daarom
keerde ik mijn ruimtevaartuig om.
Ik denk dat ik mij in de knop vergiste
toen ik ontdekte wat ik miste.
En kunt u raden wat het was?
Ik had wel vakantie, maar geen pas!".
Voor een goed begrip is het handig te weten dat het ruimtetijdperk nog in de kinderschoenen stond en de mens nog niet op de maan was geland. Neil Armstrong had zijn poëtische woorden nog niet gesproken. Gedichten als dit staan ongetwijfeld niet in Komrij's bloemlezing, maar wel in mijn persoonlijke canon - al vind ik "De spin Sebastiaan" van Annie M.G. Schmidt en Willem Wilmink's "Frekie" ook leuk.
- George Overmeire's blog
- Login to post comments